woensdag 24 juli 2019 / NRC / Foto’s Louis van Paridon/Hollandse Hoogte 1962: De rode Ferrari met nummer 1 van de Amerikaanse coureur Phil Hill (1927-2008) op Zandvoort.

Fotografie / Louis van Paridon

Toen kon je nog dichtbij de Bekende Nederlanders komen

 

In een tochtige schuur van een zestiende-eeuwse Brabantse boerderij liggen ze: de beeltenissen van Johan Cruijff, Sjaak Swart, Mies Bouwman, Toon Hermans. Negatieven, dia’s en fotoafdrukjes, keurig opgeborgen in bruine papieren zakjes in een houten archiefkast en in houten bakken die verspreid in de schuur staan. De namen zijn er met een typemachine op getikt en op alfabetische volgorde in tientallen lades gestopt. Willeke Alberti, zangeres (licht). Bernard Haitink, dirigent. Ank van der Moer, actrice. Harry Mulisch, schrijver. Rob de Nijs, teenager vocalist.

 

Hier, op het Brabantse platteland, kocht de Amsterdamse fotograaf Louis van Paridon (1922-2016) begin jaren zestig een oude boerderij aan de rand van de Heeswijkse bossen. Hier ligt ook nog steeds een groot deel van het indrukwekkende fotoarchief dat hij in de jaren vijftig en zestig met een ongekende werklust en ambitie, en met grote toewijding en precisie opbouwde – en vervolgens liet verkommeren. Een schat aan fotomateriaal én aan cultuurgeschiedenis, het grootste deel al decennia niet meer aangeraakt.

 

Nadat Van Paridon eind jaren zestig met fotografie was gestopt, verloor hij de belangstelling voor zijn eigen werk. Ook stond hij niet toe dat anderen zich erover bogen. Toen bijvoorbeeld het Nederlands Fotoarchief in de jaren negentig serieus interesse toonde, liet Van Paridon dat aan zich voorbijgaan. Zijn werk was vergaan, loog hij tegen hen, en tegen andere belangstellenden. In die oude schuur, waar lange tijd de gaten in het dak zaten en regen en wind vrij spel hadden, waren de negatieven en de afdrukken aangevreten door de muizen en ander ongedierte, beschimmeld bovendien. Niet de moeite om je daar nog in te verdiepen.

 

Gelukkig was erfgenaam Michel Teulings, die dertig jaar lang met Louis van Paridon op de boerderij woonde, overtuigd van de cultuurhistorische waarde van de foto’s en ging hij na de dood van Van Paridon in 2016 de boer op met diens werk. Het Katholiek Documentatie Centrum in Nijmegen besloot een deel van zijn zwart-witfotografie op te nemen. Fotopersbureau Hollandse Hoogte, nu onderdeel van ANP, scande 1.115 kleurendia’s in. Een deel daarvan is opgenomen in het boek Hollandse helden in de jaren 60, dat 10 juli verscheen: „Zo’n historisch archief opnemen, dat doen we niet vaak”, zegt Bas van Beek, directeur van ANP. „Maar dit is van een uitzonderlijke kwaliteit.”

Bij Leo Blom, die ruim twintig jaar werkzaam was voor de fotoredactie van ANP, roepen de foto’s nostalgie op. „Ik ben van 1952. Al die mensen die Van Paridon fotografeerde, heb ik als tiener voorbij zien komen. Het zijn de helden uit mijn jeugd, de helden ook van mijn ouders.”

 

Je kon nog kleinschalig beroemd zijn
Piepjong zijn ze; Jos Brink, Carry Tefsen, Rob de Nijs, Leen Jongewaard, Adèle Bloemendaal, Aart Staartjes – niet wetend dat ze ruim een halve eeuw later, in het collectieve geheugen van Nederland zullen zitten.

„Die onbevangenheid, die zie je op de foto’s. Ze zijn ongedwongen, ontspannen”, zegt Blom. „Kijk eens naar Herman Brood op de foto van Cuby + Blizzards, zo jongensachtig nog. Ook mensen die al bekender waren, waren heel toegankelijk. Van mediatraining had in die tijd nog niemand gehoord. Je kon nog dichtbij komen.”


Beroemd zijn was in die tijd sowieso nog niet zo’n ding. Joost Timp, de zoon van Mies Bouwman en Leen Timp, die zelf in de jaren tachtig bekend werd als schrijver en zanger van het liedje ‘Even aan mijn moeder vragen’, vertelt in het boek: „Dat mijn ouders bekend waren van televisie, daar merkte je weinig van. Ja, ze werkten hard, dus we hadden overdag vaak een oppas. Maar we hadden geen zwembad, geen dure auto’s voor de deur. Ze verdienden ook niet zo veel.” Een enkele keer werd hij er door een leraar op school op aangesproken; dat zijn moeder beroemd was. Maar het was geen groot thema.

De jaren zestig als tijdperk van de onschuld. „Je kon nog kleinschalig beroemd zijn”, analyseert Timp. „In het begin keken niet eens zoveel mensen televisie. Iedereen was hard aan het werk en ’s avonds ging men even een uurtje voor de buis zitten. Als mensen mijn moeder tegenkwamen, geloofden ze soms niet dat zij het was. Want Mies was ineens in kleur. Terwijl ze haar alleen in zwart-wit kenden. Ze schrokken er bijna van. ‘Bent u het werkelijk?’, vroegen ze dan. ‘U ziet er in het echt zo anders uit.’”

 

Dit is een ingekorte versie van de tekst die Rianne van Dijck schreef in Hollandse helden in de jaren 60, uitgever JEA, 360 blz, 39,95.